In het land Israël zijn veel Bijbelse profetieën in vervulling gegaan.

Uitgekomen profetieën


In het artikel "Bestaat er een God?" werden al argumenten genoemd voor het bestaan van een God. Waaruit kunnen we verder weten, dat er een God bestaat? O.a. doordat profetieën, die in de Bijbel staan, uitgekomen zijn! Dit bevestigt tevens de betrouwbaarheid van de Bijbel en het christelijk geloof.


1. De voorspelling in het Bijbelboek Daniël van de exacte tijd van het sterven van de Here Jezus aan het kruis

Impressie van Daniël in de leeuwenkuil

Ter inleiding: De Bijbel bestaat uit twee delen, het Oude Testament en het Nieuwe Testament. En het Oude Testament bevat weer 39 verschillende boeken. Het Nieuwe Testament bevat 27 verschillende boeken. In die 27 boeken staat Christus centraal, aangezien ze geschreven zijn na Zijn geboorte en leven op aarde. Bij elkaar zijn er dus 66 boeken. Deze zijn geschreven over een periode van duizenden jaren. De vroegere schrijvers wisten dus nog niet wat er later zou gebeuren, en wat er later nog aan de Bijbel toegevoegd zou worden. Maar als Christenen geloven wij wel, dat God in dat alles Zijn hand had. Hij bestuurde alles, zodat er uiteindelijk een Bijbel zou ontstaan, die vol staat met Zijn waarheid. Via deze Bijbel heeft God Zich dus aan de mensheid bekend gemaakt!

De profeet Daniël is een schrijver van het Oude Testament. Hij leefde in de tijd van Nebukadnezar. Deze machtige heerser regeerde van 605 tot 562 voor het begin van onze jaartelling. In die tijd profeteerde Daniël al over Christus, die pas honderden jaren later geboren zou worden. En het boek Daniël kan onmogelijk vervalst zijn door latere Christenen. Want de Joden hebben als Bijbel, vanaf het allereerste begin, alleen het Oude Testament, en dus ook het boek Daniël. Zij (het merendeel van hen) geloven namelijk niet in de Christus van het Nieuwe Testament! Toch bevat hun Bijbel (ja, ook andere boeken van hun Oude Testament, zoals Jesaja!) alle Oud-Testamentische profetieën aangaande Christus, die pas later komen zou!

We bezien de profetie in Daniël 9: 24 t/m 26. (Hierbij gebruiken wij de Statenvertaling, omdat die gewoonlijk zeer letterlijk vertaald is en dus heel dicht bij de oorspronkelijke Hebreeuwse taal blijft). Daar staat:

24. Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en den profeet te verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden te zalven.
25. Weet dan, en versta: van den uitgang des woords, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, den Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden.
26. En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk des vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen.

Het taalgebruik van sommige stukjes tekst kan soms moeilijk zijn voor mensen, die niet met deze vertaling vertrouwd zijn. Toch is de inhoud van deze profetie zo enorm kostbaar, dat het ons wel wat moeite mag kosten. De dingen uit deze profetie, waarover het nu gaat, zijn trouwens duidelijk genoeg.

Wat wordt bedoeld met "uitgang des woords" in vers 25? Dit ziet hoogstwaarschijnlijk op Nehemia 2. Daar lezen we hoe Nehemia van koning Arthasasta toestemming krijgt om (vanuit Perzië) naar Jeruzalem te gaan om aldaar de muren te herbouwen, die verwoest zijn door koning Nebukadnezar. In Nehemia 2: 1 lezen we dat het het twintigste jaar was van koning Arthasasta. De Griekse variant van deze naam is Artaxerxes.

Wanneer regeerde hij? Volgens de meeste geschiedenisboeken en websites van 465 voor Chr. (of 464 voor Chr.) tot 424 voor Chr. (Dat zou dus 41 jaar zijn). Maar er zijn historische aanwijzingen, dat hij al 10 jaar eerder begon te regeren. Er is namelijk een kleitablet gevonden, die spreekt over het 51e jaar van zijn regering! Ook andere documenten uit de oudheid schijnen in die richting te wijzen. Hoe kunnen de meeste historici zich dan vergist hebben? Zij laten de regeringsperiode van zijn vader, koning Ahasveros, beginnen aan het einde van de regeringsperiode van diens vader, koning Darius. Maar Ahasveros, die we uit het Bijbelboek Esther kennen, heeft een tijd met zijn vader Darius meegeregeerd. Ahasveros regeerde dus reeds toen Darius ook nog regeerde. Daardoor schuiven de jaartallen op. Met dat twintigste jaar in de profetie wordt daarom waarschijnlijk het jaar 455 voor Chr. bedoeld. Verder worden in de genoemde profetie van Daniël 7 + 62 weken = 69 weken genoemd. In profetische taal is een week vaak 7 jaar. Dus 69 weken is 483 jaar. Als we dan uitgaan van het jaar 455 voor Chr. komen we uit op het jaar 28 na Chr.

Vervolgens kijken we naar het begin van het volgende vers (vers 26) van Daniël 9. Daar lezen we: "En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden." Inderdaad is Christus (= de Messias) rond het jaar 28 gestorven aan het kruis. Men neemt weliswaar aan, op grond van de verhalen in de Bijbel, dat Christus ongeveer 33 jaar is geworden. Maar onze jaartelling is niet precies begonnen met de geboorte van Christus. De Scytische monnik Dionysius Exiguus, die in de zesde eeuw na Chr. onze jaartelling heeft ingesteld, heeft bij het terugrekenen een fout gemaakt van enkele jaren. Op zijn minst zat hij er 4 jaar naast, want koning Herodes stierf in 4 voor Chr. En toen hij nog leefde was de Here Jezus al geboren. Deze rekenfout van de genoemde monnik wordt tegenwoordig ook erkend door de meeste wetenschappers.

Men gaat er daarom vaak van uit, dat de Here Jezus geboren is in ongeveer het jaar 5 voor Chr., en dat blijkt inderdaad goed te kloppen met andere gegevens, ook met het verschijnen van de ster van Bethlehem! We lezen daarover in Mattheüs 2. In het jaar vijf vóór onze jaartelling is er namelijk een bijzondere "ster" zichtbaar geweest in het sterrenbeeld Steenbok. Aangezien deze door de historie-schrijvers beschreven is als een "vegende ster" zal het vermoedelijk een komeet geweest zijn, populair gezegd een "staartster". Geen wonder dat deze "ster" indruk maakte op de Wijzen uit het Oosten! Welnu, als de Here Jezus geboren is in het jaar 5 voor Chr. en gestorven is in het jaar 28 na Chr., dan is Hij ongeveer 33 jaar geworden. En dat is precies hetgeen men op grond van de Bijbelse verhalen verwachten mag!


Een komeet. De ster van Bethlehem was dat vermoedelijk ook.

Kortom: De Bijbel heeft eeuwen vóór de geboorte van Christus al precies voorspeld, wanneer Christus zou sterven aan het kruis voor de zonden van de mensen!!!

Omdat het voor de zonden van anderen was staat er ook in het vervolg van dat vers: "maar het (het uitgeroeid worden) zal niet voor Hem zelven zijn." En wat worden er in vers 24 al prachtige aanduidingen gegeven voor Zijn verzoenend lijden en sterven! De Here Jezus stierf inderdaad aan het kruis om "de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen." Dit alles ziet op de vergeving van de zonden voor degenen die hun vertrouwen voor tijd en eeuwigheid op de Here Jezus stellen. De schuld van hun zonden wordt dan weggenomen en daarvoor in de plaats ontvangen ze een eeuwige gerechtigheid, waardoor ze het eeuwige leven verkrijgen in eindeloze heerlijkheid!

Iemand zou kunnen vragen: "Waarom wordt er gesproken over 7 weken en 62 weken en niet gelijk over 69 weken?" Dit duidt vermoedelijk op het einde van de herstelwerkzaamheden aan Jeruzalem. Aan het begin van die 69 weken begonnen de herstelwerkzaamheden. 7 jaarweken later waren die werkzaamheden voltooid. En daarna duurde het nog 62 jaarweken alvorens de Here Jezus stierf aan het kruis. De zeventigste jaarweek kwam daarna, maar daarover gaat het nu niet.

Verder staat er in de profetie in vers 26: "en een volk des vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven." Dat is ook uitgekomen. In het jaar 70 na Chr. verwoestte de Romeinse keizer Titus Jeruzalem en de tempel. Christus heeft zelf ook de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen voorspeld. In Lucas 21: 20 staat: "Maar wanneer gij zult zien, dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zo weet alsdan, dat haar verwoesting nabij gekomen is."



2. De Romeinse keizer Julianus de Afvallige (ofwel: Julianus Apostata)


Hoewel keizer Julianus, die leefde van 331 tot 363, een christelijke opvoeding had genoten koos hij ronduit voor de heidense godsdienst, zoals die vrijwel overal in het Romeinse Rijk werd aangehangen vóór de tijd van keizer Constantijn de Grote (ca. 280 - 337). Aangezien hij goed op de hoogte was van de inhoud van de Bijbel (hij was in zijn jeugd voorlezer in de kerk geweest) kende hij ook Matt. 23: 38: "Ziet, uw huis wordt u woest gelaten." Dit betekent: "De tempel zal verwoest worden en zal daarna niet meer herbouwd worden." Daarom dacht Julianus: "Ik zal er als keizer eens voor zorgen, dat deze profetie niet uitkomt." Op deze manier wilde hij de Christenen in zijn rijk een hak zetten en aantonen, dat hun Bijbel niet klopte. De tempel was inderdaad verwoest in het jaar 70 door het leger van de Romein Titus.

Julianus riep de Joden in zijn grote rijk op om terug te keren naar Jeruzalem en de tempel te herbouwen met zijn steun. Maar... God greep in. Toen het werk al een eind gevorderd was kwam er een aardbeving. Alles stortte weer in. Opnieuw begon men te bouwen. Maar toen sloegen grote vuurvlammen uit de grond. En wervelwinden barstten los. Alles werd wederom vernield. Zo verhinderde God, dat de tempel herbouwd werd en dat de profetie niet uitkwam! Reeds op 32-jarige leeftijd stierf Julianus in de strijd tegen de Perzen. Sommige schrijvers zeggen, dat hij in zijn laatste uren zijn vuisten balde en riep: "Galileër, gij hebt toch overwonnen!" Daarmee bedoelde hij de Here Jezus, die opgroeide in Galilea.



3. De wereldmachten na koning Nebukadnezar

Daniël verklaart de droom van het beeld

In het Bijbelboek Daniël wordt ook voorzegd welke wereldrijken er zouden komen na het Babylonische rijk van koning Nebukadnezar. In Daniël 2 wordt verteld hoe koning Nebukadnezar een droom krijgt. In zijn droom ziet hij een groot beeld met een gouden hoofd, zilveren borst en armen, buik en lendenen van koper, benen van ijzer, en voeten ten dele van ijzer en ten dele van leem. Dan komt er een steen aan en vermorzelt het gehele beeld. Dan ontwaakt de koning en roept de wijzen van zijn koninkrijk tezamen om de betekenis van de droom te weten te komen. Daniël komt ook en verklaart het beeld als volgt:

Het gouden hoofd is het koninkrijk van Babel. De zilveren borst en de andere lichaamsdelen zijn de volgende koninkrijken. De steen is het koninkrijk van God, dat uiteindelijk al die koninkrijken zal overwinnen. In dit hoofdstuk worden de namen van de koninkrijken, die door het beeld worden aangeduid, niet genoemd. Maar het is duidelijk dat het gaat om respectievelijk het Babylonische rijk, het Perzische rijk, het Griekse rijk en het Romeinse rijk. De voeten stellen wellicht het voortgezette Romeinse rijk voor, nadat de oorspronkelijke kracht en hardheid van dat rijk verminderd was. Dat kwam doordat men soldaten recruteerde uit de overwonnen volken. Maar die hadden niet veel zin om zich met hart en ziel voor het rijk van de overwinnaars in te zetten. Zo verzwakte het rijk, totdat het geheel ten val kwam, dat wil zeggen: overwonnen door andere volkeren.

In Daniël 7 komen die koninkrijken weer terug, maar dan in een droom van Daniël zelf. Dan zijn het 4 grote dieren, die uit de zee opklimmen. Het derde dier is een luipaard met 4 vleugels en 4 koppen. Dat klopt precies! Want dat derde rijk begon met Alexander de Grote. Maar toen hij gestorven was werd het rijk verdeeld onder zijn 4 generaals: Cassander, Ptolemaeus, Seleucus en Lysimachus. Zo ontstonden er 4 nieuwe rijken.

Keer op keer komen die rijken dus weer terug in de profetie! In Daniël 8 worden het tweede en het derde rijk via een nieuw visioen van Daniël nader onder de loep genomen. Het tweede rijk is dan een ram met twee grote hoornen. Die twee hoornen zijn de volkeren van de Meden en de Perzen, die tot één koninkrijk werden. Het derde rijk (het Griekse rijk dus) is in het visioen een bok met één hoorn. Maar later breekt die hoorn af en komen er 4 andere voor in de plaats. Dat zijn weer de 4 deel-rijken nadat het koninkrijk verdeeld was onder de opvolgers van Alexander de Grote.

Ten overvloede noemt de profetie in dit hoofdstuk zelf de namen van die 2 koninkrijken. Daniël 8: 20 luidt: "De ram met de twee hoornen, dien gij gezien hebt, zijn de koningen der Meden en der Perzen." En in de volgende 2 verzen staat: "21. Die harige bok nu, is de koning van Griekenland; en de grote hoorn, welke tussen zijn ogen is, is de eerste koning. 22. Dat er nu vier aan zijn plaats stonden, toen hij verbroken was; vier koninkrijken zullen uit dat volk ontstaan, doch niet met zijn kracht."
Zo kwamen al deze profetieën over de wereldmachten na koning Nebukadnezar heel duidelijk uit!



4. Tyrus, van eiland naar schiereiland

Het schiereiland Tyrus

Wanneer we nu naar Tyrus in het land Libanon kijken zien we een schiereiland. Maar oorspronkelijk was het een eiland. Het was een zeer sterke en ook rijke vesting in zee, die bijna niet in te nemen was. Koning Nebukadnezar heeft het 13 jaar lang geprobeerd, maar het lukte hem niet. En dat wil wat zeggen. Zijn koninkrijk was in zijn dagen een super-mogendheid. Geen enkel ander koninkrijk in het Midden-Oosten, inclusief Egypte, kon voor hem standhouden. Maar Tyrus kon hij niet klein krijgen. Een belegering vanaf de kust was al helemaal zinloos. Tyrus had een grote vloot en kon via de schepen levensmiddelen en handelsgoederen importeren. De naam Tyrus betekent "rots". Vanaf deze rots kon men de vijanden die met schepen kwamen goed bestrijden, ook met pijl en boog. Uiteindelijk droop Nebukadnezar af.

Sommige geschiedschrijvers zeggen dat Nebukadnezar uiteindelijk na die 13 jaar een compromis sloot met Tyrus, waardoor de stad schatting aan hem moest betalen. In ieder geval kon Nebukadnezar wel het deel van Tyrus veroveren, dat op het vaste land lag. Tyrus bestond dus eerst uit twee delen.

Toch profeteerde de Bijbel de ondergang van geheel Tyrus, nl. in Jesaja 23, Jeremia 25: 22, Ezechiël 26, 27 en 28, Amos 1: 10 en Zacharia 9: 2, 3 en 4. (Er wordt dus overvloedig geprofeteerd over Tyrus!). In die tijd kan dat onwaarschijnlijk hebben geklonken, zeker na de mislukte poging van Nebukadnezar. Maar als God iets voorspelt, dan gebeurt het ook! In het jaar 333 voor Chr. probeerde de Griekse koning Alexander de Grote opnieuw om Tyrus in te nemen. En deze keer lukte het! Hoe deed hij dat? Door een dam te maken tussen het eiland en de kust. Zijn duizenden soldaten liet hij aarde, zand, stenen en afval in de zee storten, net zo lang totdat er een vaste verbinding was naar het eiland toe. En toen kon hij Tyrus innemen! Zo gingen de profetieën betreffende Tyrus in vervulling!

Zelfs alle details van de Bijbelse profetie werden vervuld. Er staat bijvoorbeeld in Ezechiël 26: 12, tweede gedeelte:
"en uw stenen, en uw hout, en uw stof zullen zij in het midden der wateren werpen." Dit is precies wat er gebeurde, toen het leger van Alexander de Grote de puinhopen van het deel van Tyrus, dat eerst op het vasteland lag, gebruikte om de dam te maken naar het eiland toe.

Waarom bracht God dit zware oordeel over Tyrus? Aanvankelijk was Tyrus, net als Jeruzalem, een centrum van de wereldhandel. De handelsroute over zee ging over Tyrus en de handelsroute over land ging over Jeruzalem. Toen Jeruzalem echter op het punt stond om veroverd te worden door Nebukadnezar, juichten de inwoners van Tyrus. Want nu zou er nog meer handel via hun eiland gaan. Maar dit leedvermaak was kwaad in Gods ogen. En daarom bracht hij ook over Tyrus verwoesting.



5. Cyrus, ook Cores genoemd, die de Joden hun vrijheid teruggaf

Het rijk van koning Cyrus en zijn opvolgers. Het latere rijk van Alexander de Grote was ongeveer net zo groot.

De hierboven genoemde Alexander de Grote was de grondlegger van het Grieks-Macedonische Rijk, kortweg het Griekse of Hellenistische Rijk genoemd. Aan dat rijk ging het rijk van de Meden en de Perzen vooraf (zoals onder punt 3 verklaard), kortweg het Perzische Rijk genoemd. De grondlegger van dat Perzische Rijk was Cyrus, ook wel Cores genoemd. Over hem profeteerde de Bijbel in Jesaja 45:

1. Alzo zegt de HEERE tot Zijn gezalfde, tot Cores, wiens rechterhand Ik vat, om de volken voor zijn aangezicht neder te werpen; en Ik zal de lendenen der koningen ontbinden, om voor zijn aangezicht de deuren te openen, en de poorten zullen niet gesloten worden:
2. Ik zal voor uw aangezicht gaan, en Ik zal de kromme wegen recht maken; de koperen deuren zal Ik verbreken, en de ijzeren grendelen zal Ik in stukken slaan.
3. En Ik zal u geven de schatten, die in de duisternissen zijn, en de verborgene rijkdommen; opdat gij moogt weten, dat Ik de HEERE ben, Die u bij uw naam roept, de God van Israel;
4. Om Jakobs, Mijns knechts wil, en Israels, Mijns uitverkorenen; ja, Ik riep u bij uw naam, Ik noemde u toe, hoewel gij Mij niet kendet.
5. Ik ben de HEERE, en niemand meer, buiten Mij is er geen God; Ik zal u gorden, hoewel gij Mij niet kent.
6. Opdat men wete, van den opgang der zon en van den ondergang, dat er buiten Mij niets is, Ik ben de HEERE, en niemand meer.

God gebruikte deze Perzische koning, die Hem niet kende, om het volk Israël, dat door Nebukadnezar naar Babel was weggevoerd, weer naar het eigen land terug te brengen, zodat de Joden Jeruzalem en de tempel konden herbouwen. Nadat de profetie was uitgekomen, liet men deze aan koning Cores lezen. En dat kon deze koning waarderen!



6. De verwoesting van Jeruzalem en de tempel in het jaar 70 van onze jaartelling

Plaatje 1 van deze 3: De triomfboog ter ere van keizer Titus. Plaatje 2 van deze 3: Het opschrift aan de bovenkant, van nabij gezien. Plaatje 3 van deze 3: Ander detail van de boog: De tempelschatten worden naar Rome gevoerd.

De tempel die de Joden hadden gebouwd na de Babylonische ballingschap was niet zo indrukwekkend. Hij zag er eigenlijk maar armoedig uit, vergeleken bij de voorafgaande tempel van Salomo, die de Babyloniërs verwoest hadden. Daar wilde koning Herodes, die over het land Israël regeerde van 37 voor Chr. tot 4 voor Chr., wat aan doen. Hij was een Edomiet, een nakomeling van Ezau, maar de Romeinen hadden hem te Rome gekroond tot koning der Joden, hoewel hij onder de heerschappij van Rome bleef. Onder de Joden was hij niet geliefd. Ze merkten wel dat hij in zijn hart helemaal geen Jood was. Dit bleek helemaal duidelijk, toen hij tegen het einde van zijn leven te Bethlehem alle kleine kinderen tot twee jaar liet vermoorden. Op die manier hoopte hij ook het Kind Jezus om te brengen. Maar Maria en Jozef waren al met Hem naar Egypte gevlucht.

Herodes liet de tempel grondig renoveren en maakte er een schitterend mooi gebouw van. Daarmee hoopte hij de gunst van de Joden te verkrijgen. Dit lukte niet zo best, maar de Joden vonden de vernieuwde tempel wel mooi. Dit blijkt ook uit hetgeen de discipelen van de Heere Jezus later tegen Hem zeiden. We lezen in Matt. 24: 1:

"En Jezus ging uit en vertrok van den tempel; en Zijn discipelen kwamen bij Hem, om Hem de gebouwen des tempels te tonen."

Maar de Heiland reageerde anders dan Zijn volgelingen verwacht hadden. Vers 2:

"En Jezus zeide tot hen: Ziet gij niet al deze dingen? Voorwaar zeg Ik u: Hier zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden."

Dat was behoorlijk schokkend! Maar niet alleen de tempel, ook de stad Jeruzalem zou verwoest worden. Dit lezen we in Lukas 21: 20 - 24:

20. Maar wanneer gij zien zult, dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zo weet alsdan, dat haar verwoesting nabij gekomen is.
21. Alsdan die in Judea zijn, dat zij vlieden naar de bergen; en die in het midden van dezelve zijn, dat zij daaruit trekken; en die op de velden zijn, dat zij in dezelve niet komen.
22. Want deze zijn dagen der wraak, opdat alles vervuld worde, dat geschreven is.
23. Doch wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen, want er zal grote nood zijn in het land, en toorn over dit volk.
24. En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken; en Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn.

Al deze profetieën zijn vervuld toen de Romeinse keizer Titus Jeruzalem veroverde en verwoestte in het jaar 70. De Joden waren in opstand gekomen tegen de Romeinen. Maar die accepteerden dit niet en zonden een leger. De gevolgen waren verschrikkelijk. De prachtige tempel werd verbrand en velen vonden de dood. En de Joden die het overleefden werden verstrooid onder alle volkeren, zoals ook voorspeld was. De Romeinen namen de tempelschatten mee als oorlogsbuit. Voor keizer Titus werd te Rome een triomfboog gemaakt. Daarop werd afgebeeld hoe de Romeinen de kostbaarheden van de tempel naar Rome voerden.

Toen de tempel verbrand werd smolt het goud waarmee de tempel was versierd. Het goud droop tussen de stenen en bleef daar zitten. De Romeinen wilden maar al te graag dat goud hebben en hakten de stenen van elkaar los om het goud zo veel mogelijk te kunnen bemachtigen. Zo werden de woorden van de Heere Jezus bevestigd, Die gesproken had in Matt. 24: 2: "Hier zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden."

Sommige mensen zeggen dat deze profetie niet geheel is uitgekomen. Want de Klaagmuur te Jeruzalem bleef nog overeind. Deze muur wordt door velen beschouwd als een muur van de vroegere tempel. Maar dat is onjuist. De Klaagmuur is een overblijfsel van de muur die het plateau omringde, waarop de tempel stond. De profetie dat geen steen op een andere gelaten zou worden was alleen bedoeld voor de tempel. En die werd inderdaad zeer grondig verwoest. Titus had met opzet bevel gegeven om de Klaagmuur niet te verwoesten. Dan konden de mensen later zien welke geweldige muren de Romeinen konden afbreken. Dit zou andere volkeren kunnen afschrikken om ook tegen de Romeinen in opstand te komen.

Te Rome werd dus een triomfboog gemaakt. Bovenaan die boog werd gegraveerd: "SENATVS POPVLVSQVE ROMANVS DIVO TITO DIVI VESPASIANI F(ilio) VESPASIANO AVGVSTO". Dat betekent: "De Senaat en het volk van Rome (dragen dit op) aan de goddelijke Titus, zoon van de goddelijke Vespasianus, Vespasianus de Verhevene."

Maar de Romeinen vergisten zich. Titus was niet goddelijk en zijn vader evenmin. Zij konden Jeruzalem en de tempel slechts verwoesten omdat God hen daarvoor gebruikte, nl. om de Joden te straffen voor hun zonden, en vooral omdat ze hun Messias, de Heere Jezus, hadden laten kruisigen. En toch bleef God Zijn volk liefhebben. In het jaar 1948 werd de staat Israël opgericht en mochten de verstrooide Joden terugkeren naar hun beloofde land!


7. De terugkeer van de Joden naar hun beloofde land Israël

Het land Israël

In het Bijbelboek Deuteronomium, hoofdstuk 28 vers 15 en 64 lezen we: "Daarentegen zal het geschieden, indien gij de stem des HEEREN, uws Gods, niet zult gehoorzaam zijn, om waar te nemen, dat gij doet al Zijn geboden en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede; zo zullen al deze vloeken over u komen, en u treffen ..... En de HEERE zal u verstrooien onder alle volken, van het ene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde."

Dit is ook in vervulling gegaan. In 586 voor Chr. werd Jeruzalem ingenomen door de Babyloniërs onder leiding van koning Nebukadnezar. En de meeste Joden werden weggevoerd naar Babel. Ongeveer 70 jaar later mochten de Joden door een besluit van koning Cyrus weliswaar terugkeren naar hun beloofde land en Jeruzalem herbouwen. Maar de Joden die werkelijk terugkeerden waren beperkt in aantal. In het jaar 70 werd Jeruzalem opnieuw ingenomen en verwoest door de Romeinen onder leiding van Titus, zoals onder het vorige punt te lezen is. En toen werden de Joden inderdaad verstrooid onder alle volken: Ook in ons land, ook in Afrika, ook in Portugal, enz., enz.

Maar gelukkig gaat de profetie verder. In Deuteronomium 30: 3 lezen we: "En de HEERE, uw God, zal uw gevangenis wenden, en Zich uwer ontfermen; en Hij zal u weder vergaderen uit al de volken, waarheen u de HEERE, uw God, verstrooid had."

Ook dat is uitgekomen! Allereerst dus na de zogenaamde Babylonische Ballingschap, toen koning Cyrus de Joden toestemming gaf om terug te keren naar hun land. Maar dat was in beperkte mate en slechts voor de duur van ongeveer 650 jaar. Echter: In 1948 is de profetie opnieuw in vervulling gegaan! Toen werd de tegenwoordige staat Israël gesticht. Trouwens: Aan het einde van de negentiende eeuw begonnen de Joden al naar het land Israël terug te keren.

En dat God daar Zelf achter zat bleek wel heel duidelijk, toen de Joden keer op keer door een enorme overmacht van de omringende Arabische landen werd aangevallen. Met Gods hulp konden de Joden iedere vijandelijke aanval afslaan! God deed zelfs wonderen. Een keer rukte een leger van tanks naar Israël op om Israël definitief te verslaan. Maar toen zorgde God ervoor, dat de Arabische soldaten een nog veel groter leger van tanks tegenover zich zagen. Daarom trokken ze zich terug en Israël was gered. Maar in werkelijkheid bestond dat grote leger van tanks aan de kant van Israël helemaal niet! God had er slechts voor gezorgd, dat de Arabieren dit met hun ogen waarnamen en het voor werkelijk hielden. Zo zorgt God er altijd voor, dat Zijn profetische Woord bevestigd wordt!

God had trouwens ook voorspeld, dat er veel strijd zou zijn om Jeruzalem. In Zacharia 12: 3 en 6 staat:
3. "En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Jeruzalem stellen zal tot een lastigen steen voor allen volken; allen, die zich daarmede beladen, zullen gewisselijk doorsneden worden; en al de volken der aarde zullen zich tegen haar verzamelen.
6. Te dien dage zal Ik de leidslieden van Juda (= de provincie waarin Jeruzalem ligt) stellen als een vurige haard onder het hout, en als een vurige fakkel onder de schoven; en zij zullen ter rechter- en ter linkerzijde alle volken rondom verteren; en Jeruzalem zal nog blijven in haar plaats te Jeruzalem."

Het is zelfs zo, dat God bijna 2000 jaar het land Israël voor de Joden bewaarde, totdat de Joden in 1948 terugkeerden. In de voorafgaande eeuwen hebben de Arabieren wel geprobeerd om het land tot bloei te brengen. Maar het land herkende hen als het ware niet. Er kwamen aardbevingen, sprinkhanenplagen, ziekten, vijandelijke legers, gevechten, enz. Daardoor bleef het land woest. Maar toen de eerste Joodse kolonisten in het land kwamen, gaf God wel zegen op hun arbeid. Toen kon het land wel tot bloei komen! En dat is gebeurd ook. Woestijngebieden hebben de Joden met Gods hulp tot oases gemaakt!

Verder kan nog gezegd worden, dat God ook al voorzien had, dat de Joden per vliegtuig terug zouden keren. In Jesaja 60 wordt ook voorzegd, dat er een tijd van zegen en herstel zou komen voor het volk Israël. Dan staat er in vers 8 van dit hoofdstuk: "Wie zijn deze, die daar komen gevlogen als een wolk, en als duiven tot haar vensters?" Dit is goddelijke humor, want natuurlijk wist God maar al te goed, dat het om het Joodse volk ging, dat per vliegtuig thuis zou komen!


Terugkeer per vliegtuig "als duiven tot haar vensters"

Het wonder van de terugkeer van de Joden naar het land Israël wordt voor ons nog groter, als we goed beseffen hoe wonderbaar het is, dat de Joden, die meer dan eens uit hun land verbannen zijn door vijandelijke machten, nooit opgegaan zijn in de volkeren waar ze terecht kwamen. Andere volkeren, die in de loop van de wereldgeschiedenis uit hun land werden verdreven, assimileerden met de volkeren temidden waarvan ze kwamen te wonen. Zij vermengden zich uiteindelijk helemaal met hun nieuwe buren. Van hun eigen identiteit, karakter en geaardheid bleef niets over, omdat ze als het ware samensmolten met die andere volkeren.

Maar bij de Joden ging het heel anders! Zijn bleven na hun verbanning temidden van de andere volkeren, gedurende 2000 jaar, hun eigen geaardheid, identiteit, traditie, geloof en godsdienst behouden. Dit was heel bijzonder en kan alleen maar verklaard worden door de wetenschap dat God Zelf daarvoor zorgde! En toen de Joden uiteindelijk weer naar het land Israël terugkeerden, namen zij zelfs het Hebreeuws (de taal van hun Bijbel, voor de Christenen het Oude Testament) aan als hun nationale taal! Dit was helemaal opmerkelijk!

Niet alleen Christenen en Joden merkten op, hoe bijzonder het was dat het Joodse volk zich niet vermengde met de andere volkeren, ook mensen die niet in God geloofden merkten dit op en hadden er geen verklaring voor. Zelfs de grote Joden-hater Adolf Hitler schreef in zijn boek "Mein Kampf":

"In bijna geen enkel volk ter wereld is het overlevingsinstinct zo sterk ontwikkeld als in de zogenaamde "uitverkorenen". Daarvan is de overleving van dit ras het beste bewijs. Welk volk is in de afgelopen tweeduizend jaar blootgesteld aan zo weinig veranderingen van innerlijke aard, karakter, enz. als het Joodse volk? Welk volk is door grotere rampen getroffen dan dit volk en is daar desalniettemin onveranderd uitgekomen?"

Hitler schreef weliswaar: "In bijna geen enkel volk ter wereld ....". Maar in zijn hart geloofde hij: "Wat er met de Joden is gebeurd, is ongeëvenaard!" Verder sprak hij over "overlevingsinstinct", omdat hij met Gods leiding en bestuur geen rekening wilde houden. Maar toch had hij er een sterk voorgevoel van, dat er in de geschiedenis van Israël heel bijzondere krachten in het spel waren en nog steeds zijn. Die krachten noemde hij "een bepaald lot .... met een eeuwige en onweerlegbare precisie". En deze gedachten vervulden hem zozeer met angst, namelijk dat de Joden heel de wereld in bezit zouden nemen, dat hij uiteindelijk besloot om het Joodse volk uit te roeien. Zes miljoen Joden-slachtoffers waren daar het gevolg van.

Maar het is hem niet gelukt om het volk uit te roeien. En juist 3 jaar na zijn zeer ellendige dood (waarschijnlijk heeft hij zelfmoord gepleegd) werd de staat Israël opgericht! Vele landen vielen Israël toen tegelijkertijd aan. Maar Israël versloeg ze allemaal! Want God streed voor Zijn volk. En wie kan tegen God op?


De oprichting van de staat Israël op 14 mei 1948. David ben Goerion leest hier de Onafhankelijkheidsverklaring voor. Boven hangt het portret van Theodor Herzl (1860-1904). Deze schreef al in 1896 (naar aanleiding van het antisemitisme, de Jodenhaat) een boek over een Jodenstaat. Verder organiseerde hij in 1897 te Bazel het eerste zionistische wereldcongres, en werd tot eerste president van de Zionistische Wereldorganisatie gekozen. Daarom wordt Herzl wel als de feitelijke grondlegger van de staat Israël gezien.