Beeld van een Egyptische farao, die de god Apis in de gedaante van een stierkalf aanbidt.

Bijbelse archeologie, deel 1 van 2

1. Inleiding

Waarom Bijbelse archeologie? Ten eerste laat de archeologie vaak een verhelderend licht op de Bijbel schijnen. Dit blijkt ook uit het bovenstaande plaatje van een gevonden beeldje. Er zijn nog wel meer beelden gevonden van stieren die aanbeden werden door de Egyptenaren. Gelet echter op het feit dat de stier hierboven vrij klein is bij deze persoon vergeleken, zou het een stierkalf kunnen zijn. Dit doet denken aan het gouden kalf van de Israëlieten bij de berg Sinaï! (Zie Exodus 32). Ze waren pas uit Egypte getrokken en hadden daar de aanbidding van dieren gezien, en in hun hart overgenomen. Vandaar dat ze dit na gingen doen toen ze lang op Mozes moesten wachten!

En zelfs nadat de Israëlieten door God bestraft waren voor hun afgoderij, was hun neiging om kalveren te aanbidden nog niet verdwenen. We lezen in 1 Koningen 12: 28 - 30 over koning Jerobeam:

28. Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zeide tot hen: Het is ulieden te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israel, die u uit Egypteland opgebracht hebben.
29. En hij zette het ene te Beth-el, en het andere stelde hij te Dan.
30. En deze zaak werd tot zonde; want het volk ging heen voor het ene, tot Dan toe.

Als we niets af zouden weten van de archeologische vondsten, zouden dergelijke verhalen vreemd en ongeloofwaardig over kunnen komen. We zouden dan kunnen denken: "Wat een rare verhalen! Wie gaat er nu een kalf aanbidden? Het zal wel niet echt gebeurd zijn." Maar dergelijke praktijken kwamen inderdaad voor! En dat is nog steeds het geval in sommige landen. Zo is het rund ook bij de Hindoeïsten een heilig dier, dat aanbeden wordt!

Op deze manier worden veel zaken uit de Bijbel veel duidelijker, dank zij de vondsten en opgravingen van allerlei voorwerpen uit de oudheid!

Ten tweede bevestigen de archeologische vondsten keer op keer dat de Bijbel een betrouwbaar boek is. Het kan ons geloof in God en Zijn Woord versterken. Sommige Christenen zeggen, als ze zoiets horen: "Dat kan niet! God en de Bijbel zijn niet te bewijzen! Het komt aan op geloof! Denk maar aan wat de Heere Jezus sprak tot Thomas: 'Zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben.' (Joh. 20: 29)" Maar de mensen die zo spreken gaan aan 3 belangrijke dingen voorbij:

In de eerste plaats beseffen zij niet, dat de Heere Jezus niet gezegd heeft: "Wie door te zien tot geloof komt, heeft geen echt geloof." Nee, Thomas mocht eerst zien. En toen kwam hij tot een echt geloof. Het zien had hij nodig om over een drempel heen te komen, namelijk de drempel van zijn ongeloof en twijfel. Of anders gezegd: Christus gebruikte het zien om Thomas over die drempel heen te halen en tot geloof te brengen.

In de tweede plaats zijn er later ook vele andere mensen geweest die tot geloof kwamen doordat ze iets zagen. Trouwens: Dat gebeurde eeuwen eerder al. In de tijd van Elia deden bijna alle Israëlieten mee met de Baäl-dienst. Maar toen God op het gebed van Elia vuur van de hemel liet komen op het altaar, dat Elia gemaakt had, riep het volk massaal: "De Heere is God, de Heere is God!" Sommige sceptici zullen hierop zeggen: "Dat zal wel geen echt geloof geweest zijn, maar een kortdurend tijdgeloof." Maar mogen wij zo over de harten van de mensen oordelen? Het is best mogelijk dat mensen tot bekering en echt geloof zijn gekomen, naar aanleiding van dit goddelijk wonder.


Impressie van het vuur uit de hemel op het gebed van Elia

Ook in de latere geschiedenis kwamen mensen tot geloof, doordat zij dingen zagen, die volgens hen de waarheid van de Bijbel bevestigden. Zo was er eens een Amerikaanse generaal (Lewis Wallace, die leefde van 1827 tot 1905) die een heel boek wilde schrijven om voor iedereen aan te tonen, dat de Bijbel niet klopte. Hiervoor verrichtte hij een uitgebreide studie van 7 jaar, terwijl hij ondertussen met schrijven begon. Zo ontstond zijn boek 'Ben Hur'. Maar bij al dit werk kwam hij juist steeds meer tot het inzicht dat de Bijbel wel betrouwbaar is. Vanaf die tijd werd hij een verdediger van het christelijke geloof!

Wallace kwam hierin tot een sterke overtuiging, en het absolute geloof in God en de Godheid van Christus. Miljoenen exemplaren van zijn boek werden verkocht. Ook werd het boek verfilmd en de film werd door tientallen miljoenen bekeken. Vele mensen schreven aan hem dat ze Christen geworden waren door zijn boek.

Passage uit de film Ben Hur

In de derde plaats moeten we de geschiedenis van Thomas en de Heere Jezus goed lezen. Waar doelde de Heere Jezus op? Hij doelde erop, dat Hij naar de hemel terug zou gaan. Daarna zouden de mensen Hem niet meer op aarde zien wandelen als een gewoon mens. Slechts bij hoge uitzondering zou Hij dan nog aan iemand verschijnen. Zo verscheen hij aan de apostel Johannes op het eiland Patmos, maar dan wel in goddelijke heerlijkheid. (Openb. 1). Ook verscheen Hij aan Saulus (de latere Paulus) toen die op weg was naar Damascus. (Hand. 9). En Stefanus zag Christus staan aan de rechterkant van God. (Hand. 7: 55 en 56). In de latere kerkgeschiedenis is zoiets ook een keer gebeurd bij een martelaar, die op het punt stond om gedood te worden.

Maar verreweg de meeste mensen zouden Christus na Zijn hemelvaart niet meer zien (totdat Hij opnieuw zal verschijnen bij Zijn wederkomst). Al deze mensen moesten (als ze zalig wilden worden) in Christus geloven zonder Hem daadwerkelijk gezien te hebben. En dat bedoelt de Heere Jezus in zijn woorden tot Thomas. Maar als er in deze tegenwoordige tijd toch nog dingen zijn die ons kunnen helpen om tot geloof te komen, of om ons geloof te versterken (zoals de Bijbelse archeologie), dan mogen we daar gerust gebruik van maken.

Wel is het belangrijk om te beseffen, dat het uiteindelijk de Heilige Geest is, Die een mens tot geloof en bekering brengt. Soms gebruikt de Heilige Geest de archeologie om iemand daarbij te helpen. Maar Gods Geest is niet gebonden aan de archeologie. Hij kan iemand ook langs een andere weg tot geloof brengen. Hij kan iemand ten allen tijde een sterke innerlijke overtuiging geven, dat Gods Woord waar is, en dat hij in zichzelf een verloren zondaar is, en dat hij Gods vergeving nodig heeft, op basis van het offer van de Heere Jezus.

Al met al mogen wij bijzonder blij zijn met de Bijbelse archeologie. Er was eens een Christen, die een boek over deze wetenschap geheel afkeurde, omdat alleen het geloof bepalend zou zijn. En dat kon volgens hem niet bewezen worden. Maar vele jaren later verliet hij het Christendom en ging een andere religie aanhangen. Waar was toen zijn geloof gebleven? God kan ons in dit leven allerlei steunpunten geven, om ons te helpen om te blijven geloven. De Bijbelse archeologie kan ook zo'n steunpunt zijn. Hoe durven we dan de steunpunten die God ons geeft te verachten?



2. Koning David

Veel wetenschappers hadden en hebben steeds weer de neiging om de historische betrouwbaarheid van de Bijbel te ontkennen. Zij ontkennen o.a. de historiciteit van de aartsvaders (zoals Abraham, Izak en Jakob), van Jozef en Mozes, van de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, en van de verovering van het land Kanaän onder leiding van Jozua, ja zelfs van de koninkrijken van Saul, David en Salomo. Minachtend stellen zij dat Jeruzalem, in de tijd die aan David wordt toegeschreven, niet veel meer was dan een onbetekenend bergdorp. Maar de archeologie bracht steeds meer aan het licht, dat de Bijbelse verhalen bevestigde!

Zo werd in het jaar 2005 de fundering van het paleis van koning David gevonden door de Israëlische archeologe Eilat Mazar. Sommige muren waren tot 5 meter dik! Allerlei voorwerpen die daarbij gevonden werden gaven nog extra bevestigingen, dat het inderdaad om een regeringscentrum ging. En 3 jaar later werd onder het gebouw een deel van een watertunnel ontdekt. Dit kan de "watergoot" zijn die genoemd wordt in 2 Samuël 5: 8. Daar lezen we:

"Want David zeide ten zelfden dage: Al wie de Jebusieten slaat, en geraakt aan die watergoot, en die kreupelen, en die blinden, die van Davids ziel gehaat zijn, die zal tot een hoofd en tot een overste zijn; daarom zegt men: Een blinde en kreupele zal in het huis niet komen." In 1 Kronieken 11: 6 wordt deze geschiedenis ook verteld. Daar lezen we dat Joab hierin slaagde. Waarschijnlijk was hij via die watertunnel de stad binnengekomen, om daarna de stadspoort voor het gehele leger te openen!


De restanten van het paleis van koning David

Er werd trouwens ook een enorme dubbele muur uit die tijd opgegraven, met een pad er tussen, die vanuit de stad Jeruzalem leidde naar de bron Gihon buiten de stad. Deze muren zijn 8 meter hoog en bestaan uit enorme keien van soms wel 4000 of 5000 kilo! Het moet een enorm werk geweest zijn, om die muren te bouwen zonder moderne hulpmiddelen, zoals hijskranen! Zo wordt het steeds duidelijker dat de bewering, dat Jeruzalem in die tijd slechts een onbetekenend bergdorp was, niet klopt!

Ten westen van Jeruzalem, nabij de Filistijnse steden Gad en Ekron, werden de restanten gevonden van een enorme vesting binnen een keienmuur van 700 meter lengte, die 2 à 3 meter hoog en 4 meter breed was. Onderzoek gaf aan dat deze vesting er geweest was rond het jaar 1000 voor Chr., en dat is de tijd van koning David. De muur had 2 poorten. Het bleek te gaan om het Bijbelse Saäraïm, wat '2 poorten' betekent. In die tijd was er dus al een sterke militaire organisatie!

Bij die vesting werd ook een potscherf gevonden met een inscriptie van 5 regels. Ze zijn geschreven in het oudste Hebreeuws, dat ooit is gevonden, en bevatten aansporingen om armen en zwakken in de samenleving recht te verschaffen en te helpen. Dit was inderdaad naar het hart van koning David. Al deze dingen wijzen er op, dat de schrijfkunst in die tijd al lang goed ontwikkeld was. Er is dus helemaal geen reden om te veronderstellen, zoals door sommige geleerden gedaan wordt, dat de vroegste Bijbelboeken pas vele eeuwen later geschreven zijn!

Interessant is verder ook de zogenaamde Tel Dan Stele. Dit is een incriptie (gevonden in 1993 door de Israëlische archeoloog Avraham Biram te Dan in Noord-Israël), waarop de uitdrukking "Huis van David" genoemd wordt. In deze incriptie vertelt Hazaël, de koning van Syrië (ook wel Aram genoemd), dat hij de overwinning behaalt op Joram, de koning van Israël, en Ahazia, de koning van Juda. (Deze geschiedenis wordt in de Bijbel verteld in 2 Koningen 8: 28). Bij Ahazia wordt dan vermeld: "van het Huis van David". In die tijd betekende dat vaak: van het koningshuis dat door David gesticht is. De vondst van deze incriptie werd voorpagina-nieuws in de wereldpers, omdat de archeologen vóór die tijd nog geen incriptie hadden gevonden met de naam van David er op.


De inscriptie met de naam van koning David er op.

Zo kwamen de bijbelse verhalen steeds meer tot leven, en werden steeds meer bevestigd, naarmate de archeologie daarover steeds meer aan het licht bracht!

De uitdrukking "huis van David" komt trouwens ook voor op de zogenaamde 'Steen van Mesa'. Op deze steen vertelt koning Mesa van Moab, dat zijn volk onderdrukt werd door Omri en zijn zoon (Achab), koningen van Israël. Maar daarna versloeg hij Israël (volgens Mesa). In de Bijbel, in 2 Koningen 3: 4 tot en met 3: 27, wordt ook gesproken over Mesa. De Israëlieten hadden (samen met legers van Juda en Edom) hem in zijn stad Kir-hareseth belegerd. Om zijn God Kamos te bewegen om hem te redden, offerde hij zijn oudste zoon toen op de stadsmuur. Hiervan gruwden de Israëlieten zo zeer, dat ze van de stad aftrokken. Maar dit vertelt Mesa niet op zijn gedenksteen. Want in die tijd hadden de heidense koningen de gewoonte om op gedenkstenen zichzelf en hun god te roemen. Dingen die niet tot hun eigen eer strekten werden graag weggelaten.

Op de steen van Mesa komt ook de naam van de God van Israël (Jahweh) voor. Er staat namelijk dat hij de stad Nebo van Israël afpakte en zevenduizend mannen, vrouwen en slavinnen gevangen nam. Ook roofde hij het vaatwerk van Jahweh en bracht dat voor het aangezicht van zijn god Kamos. Het is mogelijk dat dit in latere tijd gebeurd is.

Deze gedenksteen werd reeds in 1868 gevonden in Jordanië door de Duitse zendeling Klein. Maar niet alles daarop was goed leesbaar. Pas in 1995 ontdekte de Franse taalgeleerde André Lemaire een bijna onleesbaar letterteken dat de letter D moest voorstellen. Toen zag men dat er 'huis van David' op de steen stond.

Men kan zich afvragen waarom men de naam van David niet vaker tegenkwam in oude inscripties en zo. David was immers een belangrijke koning. Hiervoor zijn 4 mogelijke redenen te noemen:

1. De vijanden van Israël schreven hun incripties om zichzelf en hun god te roemen. De namen van beroemde koningen uit andere landen werden daarom vaak niet vermeld.
2. Maar de koningen van Israël maakten weinig incripties. Vaak wilden zij zichzelf niet al te zeer eren.
3. En bovendien werd er bij hen heel veel vastgelegd op documenten, die door de tand des tijds zijn vergaan. In de Bijbel bijvoorbeeld komt de naam van David wel 994 keer voor. Maar van de oorspronkelijke Bijbel-handschriften is helaas niets meer over.
4. In die tijd hadden heidense koningen ook vaak de gewoonte om de incripties van hun voorgangers te vernietigen. Want zij wilden zelf zo veel mogelijk eer ontvangen, en de eer zo min mogelijk delen met hun voorgangers.



3. Namen uit de Bijbel

In de Bijbel wordt tientallen keren gesproken over het volk van de Hethieten. Zij behoorden tot de oorspronkelijke inwoners van het land Kanaän. De Israëlieten zouden hun land in bezit nemen na hun uittocht uit Egypte en hun woestijnreis naar het beloofde land. Aanvankelijk vonden de archeologen van de laatste eeuwen geen buiten-bijbelse bronnen, die het vroegere bestaan van dit volk bevestigden. Daarom beschouwden zij de bijbelse verhalen over de Hethieten als legenden. Maar vanaf 1906 begon de Duitse archeoloog Winckler opgravingen te verrichten bij Bogazköy in Klein Azië (het tegenwoordige Turkije). En hij vond de restanten van de hoofdstad van de Hethieten, Hattusa! Vele duizenden kleitabletten met spijkerschrift werden daar gevonden, alsmede veel paleizen en tempels, kilometers lange muren, en poorten met leeuwenkoppen van steen.

Verder beschouwde men ook de Assyrische koning Sargon, die in de Bijbel in Jesaja 20: 1 genoemd wordt, als een verzinsel, omdat deze naam ontbrak op een gedenksteen met de namen van Assyrische koningen. Maar in Khorsabad in Irak vond men zijn paleis. En daarin de inscriptie: "Sargon, koning van Assyrië, die Samaria en heel Israël veroverde en die de bewoners van Asdod gevangen nam." Een inscriptie te Asdod vermeldt de verovering eveneens. In dat paleis vond men ook een reliëf van Sargon (= Sargon II) met zijn tartan, zijn legeraanvoerder. Het Hebreeuwse woord 'tartan' heeft namelijk die betekenis. De Statenvertaling heeft in Jesaja 20: 1 en in 2 Koningen 18: 17 het woord tartan als een persoonsnaam opgevat en dus met een hoofdletter geschreven.


Reliëf van koning Sargon II, gevonden in zijn paleis te Khorsabad. Rechts staat zijn legeraanvoerder.

Hetzelfde geldt voor de Babylonische koning Belsazar (ook Belsassar genoemd), zie Daniël 5. Volgens opgegraven koningslijsten zou Nabonidus de laatste Babylonische koning moeten zijn, en daarom stelde men opnieuw, dat het bijbelse verhaal niet klopte. Een later gevonden kleitablet echter, die nu bewaard wordt in het British Museum, vermeldt dat Nabonidus, vanwege zijn voorziene afwezigheid, zijn oudste zoon Belsazar tot mede-koning benoemde, om Babylon te verdedigen tegen de Perzen. In Daniël 5: 18 wordt weliswaar Nebukadnezar genoemd als de vader van Belsazar. Hier vallen Bijbelcritici ook graag over. Maar wie vertrouwd is met het taalgebruik uit die tijd, begrijpt onmiddelijk, dat het Aramese woord, dat hier met vader vertaald is, ook voorvader kan betekenen. Voor het Hebreeuws, waarin bijna het gehele Oude Testament geschreven is, geldt hetzelfde.

Zo wordt het ook duidelijk waarom de (waarschijnlijk dronken) koning zegt in vers 16 van dit hoofdstuk, dat Daniël de derde heerser van dit koninkrijk zal zijn. Zijn vader en hij waren al nummer 1 en 2. Het is verder ook frappant, dat bij opgravingen van het koninklijk paleis in Babel ook restanten van de enorme troonzaal gevonden werden (van 19 bij 58 meter), die geheel in overeenstemming zijn met de beschrijving in Daniël 5! Een witgepleisterde wand bevond zich tegenover de troon van Belsazar. Dat is dus de wand waarop de schrijvende vingers verschenen, die de koning zo aan het schrikken maakten! (vers 5).

Het bijbelse verhaal dat koning Belsazar tijdens een nacht van feesten gedood werd, wordt ook bevestigd door de geschiedschrijvers Herodotus en Xenophon. Zij vertellen hoe Cyrus te werk ging bij de verovering van de stad Babel. Hij liet zijn manschappen ter afleiding een wal tegen de stad opwerpen. Maar tegelijkertijd groeven zij een kanaal, waardoor de rivier de Eufraat niet meer door de stad stroomde, maar wegliep naar een moeras. Het leger kon zodoende via de droge rivierbedding de stad binnendringen, terwijl er in de stad gefeest werd. Daarop werd koning Belsazar gedood.

Toen Babel veroverd werd, gingen vele profetieën van de profeet Jeremia in vervulling. (Jeremia profeteerde van 616 voor Chr. tot 586 voor Chr. En Cyrus veroverde Babel in 538 voor Chr.). We kunnen hier noemen uit zijn profetieën:

1. Er komt een aanval uit het noorden. (Jer. 50: 3). (Inderdaad lag Babel in de zuidelijke helft van Mesopotamië).
2. De aanvallers belegeren de stad en nemen haar in. (Jer. 50: 9). (Geheel in overeenstemming met het getuigenis van Herodotus en Xenophon).
3. De stad heeft voedselvoorraden. (Jer. 50: 26). (Volgens Herodotus en Xenophon had de stad een voedselvoorraad voor wel 20 jaar).
4. De stad heeft hoge en brede muren. (Jer. 51: 53 en 58). (Ook dit wordt bevestigd door deze 2 geschiedschrijvers. Zij weten er nog bij te vertellen, dat er dubbele muren waren, gescheiden door een gracht).
5. De aanvaller is de koning van Medië. (Jer. 51: 11). (Cyrus behoorde van huis uit tot de Perzen, die door de Meden overheerst werden. Maar hij overwon de machtige Meden en werd alzo de koning van de Meden en de Perzen).
6. De stad valt door een list of strik. (Jer. 50: 24). (Hierboven is al vermeld hoe dat in zijn werk ging, volgens de 2 geschiedschrijvers).
7. De rivier de Eufraat wordt drooggelegd. (Jer. 51: 36). (Zoals de 2 geschiedschrijvers vermelden).
8. Het gebeurt tijdens een dronkenmansfeest (Jer. 51: 39 en 57). (Ook dit vermelden de 2 geschiedschrijvers. Dit wordt trouwens ook uitgebreid vermeld in Daniël 5).

Andere profetieën in Jeremia 50 en 51, zoals de uiteindelijke verwoesting van Babel, zijn pas later in vervulling gegaan. Het is net als het lopen in een berglandschap. Men ziet soms vele bergtoppen naast elkaar. Ze lijken naast elkaar te liggen. Maar in werkelijkheid kan de ene top 3 keer zo ver weg staan als de andere. Zo kan ook de vervulling van de ene profetie veel verder weg zijn dan de vervulling van de andere profetie, terwijl ze vrijwel gelijktijdig worden uitgesproken. Cyrus liet de stad niet verwoesten toen hij er binnentrok. Volgens de zogenaamde 'Babylonische Kroniek' werd hij bij zijn binnenkomst zelfs vreugdevol ontvangen door de bevolking. Blijkbaar zagen de mensen hem als een bevrijder. Voor de Joden was hij zeker een bevrijder. Zij mochten weer terugkeren naar hun beloofde land, zonder een prijs daarvoor te betalen, zoals ongeveer 160 jaar eerder al voorzegd was in Jesaja 44: 28 en 45: 4 en 13. Ja, ze kregen zelfs de tempelschatten mee, alsmede goud en zilver van de mensen die in Babel achterbleven. (Ezra 1).


De Nabonidus-cilinder, waarop Nabonidus zijn oudste zoon Belsazar noemt als mederegeerder

Het bijbelse verhaal over Bileam (Numeri 22) werd helemaal als een sprookje gezien door de kritische geleerden, voor wie de Bijbel bij voorbaat onbetrouwbaar is. Natuurlijk had deze man met zijn profetische gaven nooit bestaan (volgens hen!). Maar in 1967 werden de brokstukken van een bijzondere inscriptie gevonden door een expeditie van de Leidse universiteit, die een ruïneheuvel van Deir Alla in Jordanië onderzocht. Dit is niet ver van de plaats waar Bileam volgens het bijbelboek Numeri optrad. Deze stukken werden zo goed mogelijk bij elkaar gelegd, en toen bleek dat men een inscriptie gevonden had, die de naam 'Bileam de zoon van Beor' bevatte! Ook wordt hij op de inscriptie 'een ziener van de goden' genoemd.

De inscriptie is niet geschreven in een van de talen, waarin de Bijbel oorspronkelijk geschreven is. De onderzoekers verschilden van mening over de vraag tot welke taalgroep men de inscriptie kon rekenen. De Kanaänitische taalgroep (waartoe het Hebreeuws behoort)? Of de Aramese taalgroep? In ieder gaval geeft deze (ten opzichte van de Bijbel) afwijkende taal aan, dat we hier niet te maken hebben met een Joodse inscriptie. De tekst is geschreven vanuit een heidense religie met een bijbehorende taal. De Moabitische koning Balak, die de hulp van Bileam inriep, had immers ook zijn eigen godsdienst. Niettemin maakte God gebruik van de mond van Bileam, om een zegen uit te spreken over Israël, hoewel Balak juist wilde dat Bileam dit volk zou vervloeken.



4. De stad Jericho

De archeoloog Bryant Wood bij restanten van de ingestorte muur

Na Jeruzalem is Jericho de stad waarvan de meeste opgravingen zijn verricht. Het opgraven is vaak een moeizaam werk. Reeds in 1868 zocht de archeoloog Charles Warren naar bijzondere overblijfselen van Jericho. Maar hij vond niets. In ieder geval niets bijzonders volgens hem. Later bleek echter dat hij bij zijn graafwerkzaamheden slechts een meter verwijderd was geweest van de zogenaamde Neolithische toren! Over de datering van deze toren echter liepen de meningen van de geleerden sterk uiteen.

Later werd ook door andere archeologen gezocht naar restanten van Jericho. Met name kunnen hier genoemd worden: John Garstang, Kathleen Kenyon, en Bryant Wood. Bij de opgravingen moet men er natuurlijk wel rekening mee houden, dat Jericho na de inname ten tijde van Jozua weer herbouwd is. In de grond kunnen er dus verschillende lagen zijn uit verschillende tijden, die afzonderlijk gedateerd moeten worden. Tussen 1930 en 1936 vond Garstang in woonlaag IV sporen van door een aardbeving ingestorte muren. Ook waren daarbij tekenen van een hevige brand. Bovendien vond hij daar aardewerk, dat gedateerd werd op ongeveer 1400 voor Chr. En dat is precies de tijd waarin Jozua (nadat de muren ingestort waren) de stad innam en verbrandde (Jozua 6: 24)!

Maar andere archeologen, die niet veel op hadden met de Bijbel, gaven veel weerstand. De genoemde Kenyon beweerde dat de stad al rond 1550 voor Chr. was verwoest en verbrand door een Egyptisch leger. Aan het gevonden aardewerk schonk ze weinig aandacht. Anderen namen haar veronderstellingen over, en stelden zelfs dat zij doorslaggevend had aangetoond, dat de eerste 10 Bijbel-boeken een mythisch karakter hadden.

De archeoloog Bryant Wood ging echter verder met het onderzoek. Hij is gespecialiseerd in oud-Kanaänitisch aardewerk. Het gevonden aardewerk dateerde hij opnieuw op rond 1400 voor Chr. En dit werd bevestigd doordat er op de bijbehorende begraafplaats Egyptische koningszegels werden gevonden uit dezelfde periode! Jericho viel dus werkelijk rond 1400 voor Chr.!

En hoe weten we dat Jozua inderdaad rond 1400 voor Chr. de stad Jericho innam? Het jaar waarin de tempelbouw begon kon nauwkeurig bepaald worden: 966 voor Chr. En in 1 Koningen 6: 1 staat dat Salomo het huis des Heeren bouwde in het vierhonderd en tachtigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte. Dus die uittocht vond plaats in het jaar 1446 voor Chr. Maar Jozua begon pas 40 jaar later met zijn veroveringen van het land Kanaän. We komen dus uit op het jaar 1406 voor Chr.!

De restanten die men van Jericho vond waren indrukwekkend! Jericho had muren van 7 meter hoog! Toen die muren instortten ontstond er een puinhelling. En langs die puinhelling konden de Israëlieten de stad binnenklimmen!

In de Bijbel staat ook (Jozua 6: 17 en 22) dat het huis van Rachab de hoer gespaard bleef. Inderdaad bleek bij de opgravingen, dat in het noordelijk benedendeel van de stad een stuk muur, waartegen huizen waren gebouwd, niet was ingestort!

Sommige mensen vinden de verwoesting van Jericho maar een wrede zaak. Hoe kan een God, Die de Liefde Zelf is, hier nu verantwoordelijk voor zijn? Maar in deze stad vierde de goddeloosheid hoogtij: Men hield er perverse seksuele praktijken op na en zelfs mensenoffers. God gruwde daarvan. Toen de maat voor Hem vol was, maakte Hij er een einde aan!

Daarbij dreef Hij waarschijnlijk ook de spot met de godsdienst, die aldaar in gebruik was. De priester-koning van de stad werd als een godenzoon vereerd. Volgens een oud verhaal voltrok hij zijn huwelijk in een zogenaamde heilige processie. Deze leek op de processie van de Israëlieten rondom de stad! God beschouwt de relatie met Zijn volk ook als een huwelijk. In het Bijbel-boek Hosea, maar ook elders in de Heilige Schrift, zien we dat duidelijk terug. Israël (en met Israël alle ware gelovigen) is Zijn wettige vrouw, zolang zij Hem liefheeft, aanhangt en gehoorzaamt!

De Israëlieten hadden een strijd te strijden bij de verovering van het land Kanaän. En ook de mensen die in God geloven hebben een strijd te strijden. Hun geloof wordt aangevochten. Kloppen de verhalen wel die in de Bijbel beschreven worden? Is de Bijbel wel een betrouwbaar boek? Kunnen we ons wel aan de God van dat boek toevertrouwen? De bijbelse archeologie wil ons helpen en bemoedigen. Onder het stof vandaan kwamen steeds weer dingen, die ons laten zien, dat ons geloof niet op zand gebouwd is, maar op Gods waarheid en op Zijn Zoon Jezus Christus, de Rots der eeuwen!



5. De steden Sodom en Gomorra

De ruïne van Bab edh-Drah, dat wordt gezien als het bijbelse Sodom

Wie thuis is in de Bijbel kent het verhaal over Sodom en Gomorra wel. De inwoners van deze steden waren slecht en goddeloos. Zelfs toen God 2 engelen had gezonden om Lot, de neef van Abraham, uit Sodom te halen alvorens het voor hem te laat zou zijn, wilden de mannen van Sodom gedwongen seksuele gemeenschap hebben met die engelen. Zij zagen die engelen voor gewone mannen aan. Er was dus ook volop homofilie in deze stad.

Maar God sloeg die mannen van Sodom met verblindheid, zodat zij het huis van Lot, waarin de engelen waren, niet meer konden vinden. Daarna werd Lot met zijn vrouw en 2 dochters uit Sodom geleid. Toen zij ver genoeg van Sodom verwijderd waren, liet God zwavel en vuur uit de hemel regenen op Sodom en Gomorra, waardoor deze steden grondig verbrand en verwoest werden.

Natuurlijk geloofden de ongelovige geleerden van deze tijd ook deze verhalen niet. Volgens hen waren deze steden slechts legendarische (verzonnen) steden uit de folklore van Israël. Maar ook hier bevestigden vondsten en opgravingen de waarheid van het bijbelse verhaal. Er werd namelijk een kleitablet gevonden, die vertelt over een vuurregen uit de hemel, die stad, land en mensen verbrandde.

Rond 1975 werden te Ebla in Syrië vele kleitabletten gevonden. Het aantal liep op tot wel rond de 20.000 stuks. Ze dateren uit ongeveer 2400 voor Chr. Daarop worden ook steden vermeld langs een handelsroute van Syrië naar de Dode Zee (die toen nog geen dode zee was). Ook de namen van Sodom en Gomorra worden hier genoemd!

We kunnen ons vervolgens afvragen waar Sodom en Gomorra precies gelegen hebben. Hierover zijn de meningen verdeeld. Maar hoogstwaarschijnlijk lagen zij in en/of nabij het zuiden van wat we nu de Dode Zee noemen. Vele dingen wijzen namelijk in die richting:

Ten eerste zijn aldaar verschillende zwavel-afzettingen gevonden. Dus lagen van zwavel in de bodem.

Ten tweede heeft archeologisch onderzoek aangetoond, dat daar een hevige aardbeving is geweest rond het jaar 2000 voor Chr. Waarschijnlijk zijn daarbij grote hoeveelheden zwavelhoudend gas vrij gekomen en de lucht in gegaan. En zwavel is licht ontbrandbaar, zelfs bij enige wrijving. Niet voor niets hebben onze lucifers een zwavelkop. En bij een aardbeving is er natuurlijk wrijving genoeg. Na ontbranding ontstond er een regen van vuur een zwavel, die op Sodom en Gomorra neerdaalden.

Ten derde bleek uit de opgravingen dat er in die streek grote branden zijn geweest in dezelfde periode.

Ten vierde werden de restanten van een groot gebouw gevonden, waarbinnen een brand had gewoed. Maar uit nauwkeurig onderzoek bleek, dat de brand op het dak was begonnen. Nadat het dak was ingestort kwam het vuur het huis binnen.

Ten vijfde zijn in die streek ook de lijmputten (of aardpekbronnen) teruggevonden, die in de Bijbel genoemd worden in Genesis 14: 10.


De lijmputten (of aardpekbronnen) van Genesis 14: 10

De expedities vanaf 1973 van de archeologen Rast en Schaub brachten ook de restanten van 5 steden aan het licht, die zich ten zuid-oosten van de Dode Zee bevonden. Hun Arabische namen zijn: Bab edh-Drah, Numeira, Safi, Feifa, en Khanazir. Beide archeologen geloven dat deze de 5 steden zijn, die genoemd worden in Genesis 14: 8. Volgens hen is Bab edh-Drah het bijbelse Sodom, Numeira het bijbelse Gomorra, en Safi het bijbelse Zoar, waar Lot naar toe vluchtte toen hij uit Sodom geleid was.

In de steden, die zij identificeerden als Sodom en Gomorra, werden de sporen gevonden van een overvloed aan soorten vruchten. Beide steden lagen ook aan een beek, die het land en de stad van water voorzag. Hoe mooi komt dit overeen met Genesis 13: 10:

"En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de ganse vlakte der Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer de HEERE Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof des HEEREN, als Egypteland, als gij komt te Zoar."

Pas veel later is die streek tot een dor en droog land geworden, als gevolg van Gods zware oordeel. En heden ten dage wordt verteld dat de Dode Zee steeds verder opdroogt. Als dat zo doorgaat bestaat de Dode Zee na verloop van tijd niet meer. Het is dan één grote zoutvlakte. Want reeds nu is het zoutgehalte van deze zee zo hoog, dat men er blijft drijven, en dat men er al drijvend zelfs een boek kan lezen!

Het bijbelse verhaal van Sodom en Gomorra is geschreven tot onze waarschuwing. God is een Wreker van het kwaad. En dat is echt geen sprookje of legende! Maar God zegt ook van Zichzelf in Exodus 20: 6:

"En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden." Helaas zijn wij allemaal zondaren. We kunnen niet volkomen leven naar Gods heilige wil. En dat kan verwarring en strijd geven. Maar we mogen ook weten, dat er bij Hem altijd weer vergeving is, als wij met berouw tot Hem komen!



6. Een beetje rekenwerk

Hierboven, in het stuk met opschrift "3. De stad Jericho" werd al berekend, dat de Israëlieten (na hun woestijnreis) in het jaar 1406 voor Chr. het land Kanaän binnenkwamen. Dit werd berekend met behulp van het feit, dat exact bekend is, wanneer koning Salomo begon met de bouw van de tempel. Maar er zijn veel archeologen en andere wetenschappers, die weinig geloven van de bijbelse verhalen over David en Salomo, hoewel steeds meer archeologische vondsten de bijbelse geschiedenissen van deze koningen bevestigen.

Daarom zal nu (ten overvloede!) ook nog op een andere manier berekend worden in welk jaar de intocht in Kanaän begon: Uit de algemene geschiedenis is bekend dat de Babylonische koning Nebukadnezar regeerde van 605 voor Chr. tot 562 voor Chr. In de Bijbel staat in 2 Koningen 25: 8, dat Jeruzalem verwoest werd in het negentiende jaar van Nebukadnezar. Maar Jeruzalem is twee keer ingenomen: 11 jaar eerder ook al. Alleen is er toen geen geweld gebruikt, omdat koning Jojachin zich vrijwillig overgaf. Dit staat beschreven in 2 Koningen 24: 12:

"Toen ging Jojachin, de koning van Juda, uit tot den koning van Babel, hij, en zijn moeder, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn hovelingen; en de koning van Babel nam hem gevangen in het achtste jaar zijner regering."


Reliëf van de wegvoering van de Joden bij de Babylonische ballingschap. In de oudheid hield men ervan om de overwinning op de vijanden uit te bijtelen in steen.

Dit achtste jaar van Nebukadnezar moet dus geweest zijn in het jaar (605 - 8 =) 597 voor Chr. En dit jaar moeten we beschouwen als het begin van de Babylonische ballingschap, want in 2 Koningen 24: 14 staat dat Nebukadnezar toen geheel Jeruzalem wegvoerde.

Nu kijken nu naar Ezechiël 40: 1. Daar staat:
"In het vijf en twintigste jaar onzer gevankelijke wegvoering, in het begin des jaars, op den tienden der maand, in het veertiende jaar, nadat de stad geslagen was; even op dienzelfden dag, was de hand des HEEREN op mij, en Hij bracht mij derwaarts."

Even in het algemeen gesproken: Het eerste jaar van iets, is van het jaar 0 tot het jaar 1. Het tweede jaar van het jaar 1 tot het jaar 2, enz. Het 25e jaar is dus van het jaar 24 tot het jaar 25. Omdat hier in deze tekst speciaal vermeld staat "in het begin des jaars" kunnen we het beste aannemen dat we 24 jaar later zijn (in plaats van 25). We krijgen dan dus het jaar (597 - 24 =) 573 voor Chr.

Nu vermeldt de Joodse Talmoed (een voor de Joden zeer belangrijk geschrift), dat het 17e jubeljaar van de Israëlieten samenviel met dit tijdstip (dus van Ezechiël 40: 1). Het eerste jubeljaar was na 49 jaar. Het tweede na 98 jaar. Dus het 17e jubeljaar na 17 x 49 = 833 jaar. De Israëlieten begonnen dus in het jaar (573 + 833 =) 1406 voor Chr. met hun telling voor de jubeljaren. En wanneer was dat? Hier geeft Leviticus 25: 2, 8,9 en 10 antwoord op:

2. "Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer gij zult gekomen zijn in dat land, dat Ik u geve, dan zal dat land rusten, een sabbat den HEERE."

8. "Gij zult u ook tellen zeven jaarweken, zevenmaal zeven jaren; zodat de dagen der zeven jaarweken u negen en veertig jaren zullen zijn.
9. Daarna zult gij in de zevende maand, op den tienden der maand, de bazuin des geklanks doen doorgaan; op den verzoendag zult gij de bazuin doen doorgaan in uw ganse land.
10. En gij zult dat vijftigste jaar heiligen, en vrijheid uitroepen in het land, voor al zijn inwoners; het zal u een jubeljaar zijn; en gij zult wederkeren een ieder tot zijn bezittingen, en zult wederkeren een ieder tot zijn geslacht."

Uit deze teksten is het duidelijk: De intocht van de Israëlieten in het land Kanaän was in het jaar 1406 voor Chr. Dit is precies hetzelfde jaartal, dat reeds berekend was langs een andere weg!! Zie het stuk hierboven met het opschrift '4. De stad Jericho'.

Voor mensen die weinig kennis hebben van de archeologie en de oude geschiedenis, zal het weinig uitmaken in welk jaar precies de intocht in het land Kanaän plaatsvond. Maar veel archeologen en andere wetenschappers, die de Bijbel niet serieus nemen, stellen graag dat het volk Israël pas veel later ontstaan is. In feite geloven zij helemaal niet in een intocht, zoals beschreven in de Bijbel. In plaats daarvan stellen zij, dat het volk Israël pas vanaf ongeveer 1200 voor Chr. zou zijn ontstaan, doordat Semitische nomadengroepjes geleidelijk aan het land Kanaän binnenkwamen.

Of (denken zij, want zij weten het niet, maar gissen er maar naar) misschien ontstond het Joodse volk wel, doordat inheemse landbouwers zich verenigden en in opstand kwamen tegen onderdrukkende landheren. En deze wetenschappers menen dat hun ideeën bevestigd worden, aangezien rond het jaar 1220 voor Chr. veel steden in het land Kanaän zijn vernietigd. Dat is uit een latere tijd!

Maar deze geleerden houden geen rekening met de tijd van de Richters, tientallen en honderden jaren later! In die tijd werden de Israëlieten keer op keer aangevallen door andere volkeren, zoals de Filistijnen en de Midianieten. En die richtten verwoestingen aan, of hun eigen bezittingen werden verwoest in de strijd. De Israëlieten onder leiding van Jozua waren er niet per se op uit, om zo veel mogelijk te verwoesten, maar slechts om het land in bezit te nemen. Alleen Jericho, Ai en Hazor staken zij in brand. (Jozua 6: 24; 8: 28; en 11: 11).


Ruïnes van de stad Hazor

Zij lieten de steden zo veel mogelijk in tact, zodat zij er later zelf in konden wonen. Dit komt ook overeen met Deuteronomium 6: 10, 11 en 12:

10. Als het dan zal geschied zijn, dat de HEERE, uw God, u zal hebben ingebracht in dat land, dat Hij uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft, u te zullen geven; grote en goede steden, die gij niet gebouwd hebt,
11. En huizen, vol van alle goeds, die gij niet gevuld hebt, en uitgehouwen bornputten, die gij niet uitgehouwen hebt, wijngaarden en olijfgaarden, die gij niet geplant hebt, en gij gegeten hebt en verzadigd zijt;
12. Zo wacht u, dat gij den HEERE niet vergeet, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis heeft uitgevoerd.

Kortom: De ongelovige archeologen hebben geen reden om verwijtend te zeggen, dat ze weinig ruïnes hebben gevonden van alle steden, die onder leiding van Jozua zijn ingenomen. Want als het even kon, lieten de Israëlieten de steden zoals ze waren! Maar van de steden die wel verwoest zijn, zijn veel brokstukken en restanten teruggevonden!

En bovendien: In de Amarna-brieven, die in Egypte gevonden zijn, en dateren uit ongeveer 1360 voor Chr., smeken Kanaänitische vazalvorsten om de hulp van de Farao tegen de 'Habiru', die hun steden aanvallen. Dat zijn waarschijnlijk de Hebreeërs, zoals de Israëlieten ook genoemd werden. Natuurlijk is het land Kanaän niet in één jaar veroverd. De veroveringen gingen nog tientallen jaren door, soms na een pauze van jaren. Dus het jaar 1360 voor Chr. past daar goed bij. Het is begrijpelijk dat de Farao niet veel zin had om te helpen. De tien plagen over Egypte waren nog niet vergeten, evenmin als het feit dat het leger van Egypte was omgekomen in de Rode Zee! (Exodus 14)

Verder zijn er ook Egyptische inscripties gevonden, die getuigen van de aanvallen (in het land Kanaän) van de 'nomaden', die de God Jahweh vereren. Jahweh is inderdaad de God van de Bijbel. De andere volkeren hadden andere goden. Zo werd de Bijbel steeds weer bevestigd door de archeologische vondsten en opgravingen!



7. Moeilijkheden bij het archeologische werk

Zoals hierboven al werd aangegeven, hebben ongelovige wetenschappers vaak het verwijt uitgesproken, dat er zo weinig vondsten gedaan zijn, die in overeenstemming zijn met de Bijbelse geschiedenis. In de eerste plaats is dit helemaal niet waar. Dit artikel bewijst dat reeds. Maar wat hier beschreven wordt is nog maar een zeer geringe fractie van wat er werkelijk gevonden is aan materiaal dat de Bijbel bevestigt. Er zijn boeken over vol te schrijven. En dat is gelukkig ook gedaan door verschillende mensen. Daarom zijn de aanvallen van ongelovige wetenschappers nergens op gebaseerd! Soms echter schenen er schakels te ontbreken in de resultaten van de Bijbelse archeologie. Maar wat zou dat? We moeten goed beseffen, dat het archeologische werk vaak zeer moeilijk is!

In de eerste plaats: Wanneer een stad of dorp verwoest werd door vijanden of door een natuurramp. werden later vaak weer huizen gebouwd op de puinhopen. En als die in verval geraakt waren, werd er vaak weer opnieuw gebouwd op de restanten ervan. Archeologen, die aan het graven gaan, stuiten vaak op verschillende lagen uit verschillende tijden. En wat is dan uit welke tijd? Uiteraard lopen die lagen ook nog vaak behoorlijk door elkaar heen. Soms gebruikten archeologen graafmachines om een bepaalde laag te bereiken. Maar dan kunnen kostbare schatten uit hogere lagen per ongeluk vernietigd en weggegooid worden. In die hogere lagen kunnen ook dingen zitten met juist een zeer hoge ouderdom, omdat -zoals gezegd- die lagen vaak door elkaar heen lopen.

Er zijn dan ook fouten gemaakt bij het archeologische werk. Hier heeft men van geleerd. Daardoor werd men nog voorzichtiger! Maar daardoor ging het werk helemaal enorm veel tijd kosten!


Het wroeten in de grond, in de hoop dat men meer te weten komt over het verleden.

In de tweede plaats: Zoals hierboven al is opgemerkt: Vaak vernietigden nieuwe koningen de inscripties van hun voorgangers, omdat zij alleen alle eer wilden ontvangen.

In de derde plaats: Heel veel documenten zijn gewoon vergaan. Papier, perkament, hout, en andere materialen waarop men schreef, verteerden op den duur. Alleen incripties in steen konden de tand des tijds weerstaan. Maar sommige volkeren hadden niet bepaald de gewoonte om hun geschiedenis in steen vast te leggen. Het oude Israël had een belangrijke schrijfcultuur. Maar men schreef relatief weinig in steen en veel meer op vergankelijke materialen.

In de vierde plaats: Vaak konden de archeologen niet graven op de plaatsen, waar zij dat graag wilden (en waar zij belangrijke vondsten hoopten te verkrijgen), omdat daar hedendaagse bouwwerken stonden, of omdat ze gewoon geen toestemming kregen om te gaan graven in het land van boeren of grondbezitters.

In de vijfde plaats: Soms ook stelde de plaatselijke bevolking zich vijandig op jegens de archeologen. Dit was bijvoorbeeld het geval bij de Steen van Mesa (waarover hierboven al gesproken is in het stuk met de titel '2. Koning David'). De archeologen wilden die niet zomaar meenemen, maar eerlijk kopen. Wel probeerden ze bij voorbaat al een afdruk van de steen te maken in nat zacht papier. Maar de medewerker die daarmee bezig was, moest vluchten voor de woedende bevolking. Het papier werd in zeven stukken gescheurd. De mensen, die niets snapten van de historische betekenis van de steen, vermoedden dat er goud in de steen was verborgen. Zij verhitten de steen en gooiden er koud water op. Slechts brokstukken bleven er over. Die werden verdeeld onder de plaatselijke bewoners. Maar de Franse archeoloog Clermont-Ganneau hield vol, omdat hij de grote waarde van de steen kende. Hij slaagde er uiteindelijk in om 57 brokstukken te verwerven. Dat was ongeveer tweederde van het geheel. Zelfs de papierfragmenten werden bij elkaar gezocht. En vooral door deze papierfragmenten kon de tekst nagenoeg geheel worden gereconstrueerd. Maar wat een strijd moest er geleverd worden om te redden wat er nog te redden viel! Misschien zijn er later nog meer brokstukken gevonden of opgekocht. Want foto's van de Mesa-steen tonen een vrij compleet geheel.


De Mesa-steen, van de Moabitische koning Mesa, met de namen van David en de God van Israël erop

In de zesde plaats: Ook als geen strijd geleverd moest worden om een vondst binnen te halen, was de vondst vaak zwaar beschadigd. Als er tekst op stond was die vaak nog maar gedeeltelijk leesbaar.

In de zevende plaats: Vaak worden er, na haast eindeloos geduld, dingen gevonden waar men nog weinig aan heeft. Als men bijvoorbeeld een drinkbeker uit de tijd van David vindt, is dat wel aardig, maar welke conclusies kunnen daaraan verbonden worden? Eten en drinken hebben de mensen in alle tijden gedaan. Het zegt dus niet direct iets over de betrouwbaarheid van de Bijbel.

In de achtste plaats: Als er iets gevonden werd met tekst erop, had men vaak ook nog te kampen met de verschillende dialekten en talen, die vroeger in het Midden-Oosten gesproken en geschreven werden. Er waren vrij veel varianten binnen het Semitisch en Arabisch. De studie van bepaalde tekst kon daardoor uitermate moeilijk zijn.

In de negende plaats: Veel belangrijke vondsten kwamen bij verzamelaars terecht. Of toeristen namen ze mee naar huis. Op die manier werden ze aan de wetenschap onttrokken. Ze waren dan buiten het bereik van de archeologen en de andere wetenschappers, die ze graag zouden willen onderzoeken.

In de tiende plaats: In tijden van oorlog en natuurrampen werden soms hele bibliotheken en museums verwoest. En dat waren juist de plaatsen waar de kostbaarheden, die men met veel moeite verworven had, verzameld waren. Een voorbeeld hiervan is de bibliotheek van Alexandrië in Egypte. Deze bevatte in haar glorietijd in de eerste eeuw voor Chr. 400.000 tot 700.000 documenten, vooral boekrollen. In feite was deze collectie verspreid over verschillende gebouwen, met ruimte voor wel 5000 studenten om er te studeren. Daardoor was deze bibliotheek de grootste van het Middellandse Zeegebied, ja het centrum van de Hellenistische wetenschap en beschaving. Maar in het jaar 392 werd de bibliotheek door brand verwoest. Sommigen zeggen dat de brand opzettelijk was aangestoken door een religieuze groepering. Anderen suggereren dat hij door een oorlog is verwoest. Hoe het ook zij, de culturele ramp was groot.

In de elfde plaats: Archeologen kunnen ook hinder hebben van regen, storm, vorst, hagel, sneeuw, of juist van woestijn-hitte en ongedierte. Soms werd een overdekking gebouwd, zodat men in ieder geval droog of beschermd voor de zon kon werken. Maar vaak hadden ze geen dak boven zich. Dan hadden ze soms een sterke gezondheid nodig om het werk vol te kunnen houden. Of ze konden veel minder werk verzetten dan ze eigenlijk zouden willen.

In de twaalfde plaats: Het archeologisch onderzoek kost veel geld: Voor salaris en levensonderhoud van de werkers, voor aankoop van allerlei hulpmiddelen zoals graaf-werktuigen, voor het kopen van vergunningen, voor het opkopen van gevonden bodemschatten, enz., enz. Als er onvoldoende geld was, moest men van het werk afzien, of -als het al begonnen was- moest het gestopt of uitgesteld worden.

Maar moeten we vanwege dit alles nu zeggen: "Laat die archeologie maar gaan. Het is te moeilijk."? Natuurlijk niet! Het moet ons alles waard zijn om de Bijbel als een betrouwbaar boek te kunnen zien, als dat werkelijk zo is. En het is zo! Deze website bewijst dit in overvloedige mate, niet alleen uit de archeologie, maar ook uit vele andere zaken!

Bovendien: We zouden de Christen-archeologen, die zich tot het uiterste hebben ingezet om sporen van de Bijbel in de grond terug te vinden, groot onrecht doen, als we hun werk zouden verachten! En we doen hen evenmin recht, als we hen verwijten gaan maken, dat bepaalde schakels in hun werk ontbreken. Vaak gebeurde het trouwens dat die schakels later alsnog gevonden werden! Het is een doorlopende en boeiende ontdekkingstocht. En wij, als toeschouwers, mogen deze ontdekkingstocht volgen vanuit onze geriefelijke huiskamers of museums, gewoon door er kennis van te nemen. Wat een voorrecht is dat. Het vuile werk hebben anderen voor ons gedaan, en doen dat nog steeds! Daardoor kunnen wij (om een voorbeeld te noemen) ons in alle rust mee laten nemen naar de boeiende wereld van koning Cyrus, die de Joden zoveel zegen bracht!


Plaatje 1 van deze 2: In museums zijn vele archeologische kostbaarheden verzameld. Hier de Cyrus-cilinder in het British museum te Londen. Plaatje 2 van deze 2: De Cyrus-cilinder van nabij gezien. Op deze cilinder vertelt koning Cyrus (ook wel Kores genoemd) o.a. dat hij mensen (dit moeten de Joden geweest zijn!) met hun tempelschatten terug liet gaan naar hun land om hun woonplaatsen te herstellen. Ook dat is weer een prachtige bevestiging van de Bijbel, namelijk van 2 Kronieken 36 en Ezra 1.